inzicht in gedachten

Orde van intentionaliteit…Wat is dat dan?

Sinds afgelopen week ben ik lid van de RMA. Dat staat voor de Rotterdamse Mediators Associatie. Dit is een club voor professionele, zelfstandige mediators die hier met elkaar kunnen sparren, samenwerken, maar ook kennis kunnen opdoen. Bijvoorbeeld via de lezing die deze avond gehouden werd door Ronald Hünneman. De titel was pijnlijke contacten. En dan niet pijnlijk in de fysieke zin, maar meer omdat je elkaar niet begrijpt; er is verschil in sociaal cognitief inzicht. Dit heeft te maken met de orde van intentionaliteit waar jij en je gesprekspartner in zitten. Ontzettend interessant, maar waar heb ik het in hemelsnaam over?

Wat is sociaal cognitief inzicht?

Het gaat om inzicht in jezelf en de wereld om je heen. Hoe denk je, wat snap je van jezelf en anderen? Kun je je inleven en anticiperen op hetgeen zich voordoet? Hoe behendig je hierin bent, of juist niet (sociaal onbehendig) is van invloed op je selectie (informatie die je eruit pikt), interpretatie en hoe je die informatie gebruikt om beslissingen te nemen. Dit staat overigens los van je IQ.

Sarcasme is lastig, evenals woorden die meerdere betekenissen hebben. Inleven in anderen is ook moeilijk. Dus sommige mensen hebben bijvoorbeeld echt niet door dat het niet wenselijk is voor de buren om om 23 uur nog een gat in de muur te gaan boren.

Orde van intentionaliteit

De manier waarop je in staat bent te denken over jezelf en over anderen (en hun gedachten) is niet bij iedereen hetzelfde. Dit kun je onderverdelen. We spreken dan van verschil in orde van intentionaliteit.

Orde 1: Het gaat hier om de gerichtheid op een object, doel of gebeurtenis. Iets wat je waarneemt. Dus denk; alarm-> rennen. Baby’s maar ook dieren zitten in orde 1.

Orde 2: Als je opgroeit kan je begrijpen dat iemand iets van je verwacht/wil (ouders/leerkracht). Dus je kan intentionaliteit aan anderen toekennen. Er is besef dat de ander ook zijn aandacht op iets richt. Je kan je inleven in de ander en denken over gedachten. Kinderen op de basisschool zitten in deze orde, evenals chimpansees.

Orde 3: Jezelf kunnen zien door de ogen van een ander en beseffen dat die ook een gedachte heeft en/of zich ergens op richt. “Ik weet dat jij weet dat ik…”. Denken over de gedachten van anderen over gedachten van anderen.

Orde 4: Dit noemen we complexe sociale gedachten. Ik zie ik wil ik zie dat jij ziet ik zie dat jij wilt ik wil dat jij wilt ik wil dat jij ziet dat ik jou zie ik wil dat jij wilt dat ik jou wil ik zie dat jij wilt dat ik wil dat jij wilt. Dit loopt op tot waarschijnlijk orde 7.

De overstap van orde 2 naar orde 3 vindt plaats als je op de middelbare school zit. Dit hangt wel af van je omgeving en aanleg. Niet iedereen maakt deze stap dus. We spreken bij 1 en 2 van een lagere orde en bij >3 van een hoge(re) orde. Overigens kun je mensen hier nooit op af rekenen.

Wat maakt het uit?

Punt is dat onze maatschappij ingesteld is op een hoge orde. Dat is al zo vanaf de basisschool. Denk bijvoorbeeld aan het veel werken in groepjes wat tegenwoordig normaal is. Wat willen ze van je of wat zeggen ze, maar bedoelen ze eigenlijk?

Termen als: waar denk je over 5 jaar te staan? Waar hoop je op? Waar verlang je naar? Zie je in dat…? Besef je dat….? Zijn voor mensen van een lage orde niet in te vullen. Mensen van een hoge orde kunnen bedenken waar diegene die die vraag stelt op hoopt en met welk doel het beste antwoord gegeven kan worden. Het is dus misleiden en manipuleren. Liegen om bestwil….Mensen van een lage orde kunnen dat niet. Ja, ze kunnen best liegen. Alleen ligt dit er dan zo dik bovenop dat het niet geaccepteerd wordt. Vaak is er een reactie van vechten of vluchten. Als ze ergens tegenop zien en niet weten hoe aan te pakken, vluchten ze. Het is onkunde, maar wordt door de buitenwereld als onwil ervaren. Die mensen kunnen ook agressief worden, dan heb je er weer een ander probleem bij.

Voorbeeld van orde 3

Piet zit in orde 3. Hij komt vaak te laat op zijn werk. Van hogerhand wordt er duidelijk gemaakt dat dit niet meer mag gebeuren.

In een weekend krijgt de vader van Piet last van pijn op zijn borst. Na een ziekenhuiscontrole mag hij naar huis. De moeder van het gezin kan het echter niet loslaten en maakt zich erg zorgen. We zijn een paar dagen verder en er breekt een nieuwe werkdag aan. De snooze-knop wordt zo vaak door Piet ingedrukt dat hij 20 minuten te laat komt. Wat nu?

“Hijgend” komt hij aan. Sorry, sorry, ik weet het! Ik ben te laat! Het spijt me zo erg… Leidinggevende: Nou zeker. Dit was niet de afspraak! Wat denk je wel niet! Waar ben je mee bezig? Piet: Ik wilde ook echt op tijd komen, maar mijn moeder….het liep helemaal uit de hand vanmorgen. Leidinggevende: Je moeder? Wat heeft die hier nou mee te maken!? Piet: Nou, u weet toch de situatie met mijn vader? Mijn moeder maakt zich zo’n zorgen. Vanmorgen was ze zo in paniek…. Ik had nog gezegd dat ik niet te laat mocht komen, want ik wil deze baan niet kwijt, maar ze luisterde niet. Leidinggevende; O, jee…Wat vervelend zeg. Je moeder boft maar met zo’n zoon. Gaat het nu weer een beetje met haar? Weet je wat, ga even rustig koffie drinken en aan de slag. Vanmiddag bel je je moeder even en als het dan niet gaat, mag je wat mij betreft naar haar toe. Kom volgende keer alsjeblieft wel op tijd, zoals onze afspraak is. Piet: Natuurlijk meneer, het zal niet meer gebeuren.

Voorbeeld lage orde (1 – 2)

Precies hetzelfde verhaal. De vader heeft pijn op de borst gehad, moeder is overstuur. Ook bij deze Piet is de afspraak dat hij niet meer te laat komt op zijn werk.

Ook deze Piet drukt te vaak op de snooze-knop met als resultaat 20 minuten te laat. Leidinggevende: Wat denk jij wel niet! Te laat! 20 minuten! Piet: ja sorry meneer, klopt. Leidinggevende: Wat maak je me nou? Wat denk je wel niet? Piet: Ik heb te vaak op de snooze-knop gedrukt en me dus verslapen. Leidinggevende: Ben je helemaal gek geworden?! Iedereen moet op tijd zijn, ook jij! Zou ik eens moeten zeggen tegen mijn baas! Wat denk je dat er dan gaat gebeuren??!!

Deze Piet kan niet met deze opmerkingen en vragen omgaan. Hij weet niet wat het wenselijke antwoord is. Dus wat doet hij? Vluchten of vechten…Hij kan dus zeggen: flikker toch op, lul! en weglopen, of hij wordt agressief en gaat het gevecht aan. Beide niet zal het niet goed aflopen.

Conclusie

Wat is de conclusie? Als jij kan bedenken wat de ander ergens van kan vinden en hoe die kan reageren, kan je daar op inspelen. Indien je die gave dus niet bezit, loopt het minder goed voor je af. Eigenlijk krom toch? En ook wel sneu…De les hieruit is dat je dus niet altijd er vanuit moet gaan dat mensen niet willen en daarom maar wat aanklooien. Wellicht kunnen ze het gewoon niet. Stel gesloten vragen en niet die lastige open varianten zoals eerder genoemd. Besef je dat er een verschil is tussen onwil en onkunde. Luister rustig en oordeel dan.

Bron vermelding:

Beschreven informatie komt voort uit een lezing van Ronald Hünneman, Pijnlijke contacten.

Uitgelichte afbeelding: Pexels

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.